ECLI:NL:CRVB:2016:1522

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2016
Publicatiedatum
26 april 2016
Zaaknummer
16/1728 AW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6 ARAR
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ontslag ambtenaar wegens onvoldoende studievoortgang

Betrokkene was vanaf 1 augustus 2013 aangesteld in tijdelijke dienst voor de duur van een opleiding, waarbij zij een opleiding associate degree accountancy volgde. Na het behalen van twee onvoldoendes, ook na herkansing, en een negatief studieadvies werd zij op 1 maart 2015 eervol ontslagen door de Staatssecretaris van Financiën.

De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het ontslagbesluit, omdat onvoldoende was onderzocht of maatwerktrajecten mogelijk waren om de opleiding alsnog binnen twee jaar te voltooien. De Staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de rechtbankuitspraak op te schorten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening ongegrond is omdat geen onverwijlde spoed aanwezig was. Het handhaven van het ontslag is niet uitgesloten en de nadelen van onmiddellijke uitvoering van de uitspraak zijn niet zwaarder dan het wettelijke stelsel toelaat. Daarom werd het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

16/1728 AW-VV
Datum uitspraak: 21 april 2016
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
de Staatssecretaris van Financiën (verzoeker)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
11 februari 2016, 15/4415 (aangevallen uitspraak).
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gebleven.

OVERWEGINGEN

1.1.
Betrokkene is met ingang van 1 augustus 2013 aangesteld in de functie van [medewerker] met [aandachtsgebied]. Aanvankelijk was de aanstelling gebaseerd op artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Vanaf de datum waarop betrokkene de verklaring omtrent het gedrag had ingediend was sprake van een aanstelling in tijdelijke dienst met een proeftijd van twee jaar als bedoeld in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR. Met ingang van september 2013 is betrokkene gestart met de opleiding associate degree accountancy (AD/AC).
1.2.
Bij besluit van 13 januari 2014 is de aanstellingsgrondslag gewijzigd in die zin dat betrokkene met ingang van 1 augustus 2013 is aangesteld in tijdelijke dienst voor de duur van een opleiding als bedoeld in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van het ARAR.
1.3.
Bij besluit van 24 november 2014 heeft verzoeker betrokkene met ingang van 1 maart 2015 eervol ontslagen op grond van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR. Bij besluit van 7 mei 2015 (bestreden besluit) heeft verzoeker het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Betrokkene heeft in juni 2014 voor twee vakken, ook na herkansing, een onvoldoende behaald. Daarmee voldoet zij niet aan het toetskader dat voor de opleiding is opgesteld en dat één herkansing per vak en afronding van de opleiding binnen twee jaar aangeeft. Uit het negatief advies van het studiedecanaat van 31 juli 2014 en de brief van de escalatiecommissie van 10 november 2014 volgt dat op grond van de door betrokkene behaalde twee onvoldoendes na herkansing en een aantal onvoldoendes voor vakken die nog konden worden herkanst, het niet reëel was dat betrokkene de opleiding in twee jaar zou afronden, ook niet als dit door maatwerk zou worden ondersteund.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verzoeker opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft overwogen dat in het negatieve studieadvies van 31 juli 2014, naast de beoordeling of er bijzondere persoonlijke omstandigheden waren die een onvoldoende voor een herkansing konden rechtvaardigen, had moeten worden bezien of betrokkene met een maatwerktraject wellicht in staat zou zijn geweest alsnog de opleiding binnen twee jaar te halen. De conclusie is dat het negatieve advies en het bestreden besluit, waarin daar evenmin op in wordt gegaan, een deugdelijke motivering ontberen, zodat verzoeker niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten aan betrokkene ontslag te verlenen.
3. Verzoeker heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld en tevens de Raad verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij geen uitvoering hoeft te geven aan de door de rechtbank gegeven opdracht om opnieuw op het bezwaar te beslissen totdat de Raad op het hoger beroep heeft beslist. Volgens verzoeker houdt de opdracht van de rechtbank in dat getoetst dient te worden of er bijzondere omstandigheden waren die een onvoldoende voor een herkansing konden rechtvaardigen, maar ook moet worden bezien of betrokkene met een maatwerktraject wellicht in staat zou zijn geweest de opleiding binnen twee jaar te halen. Als verzoeker die toets, die hij onjuist acht, zou hanteren is de kans aanwezig dat alsnog maatwerk dient te worden geboden en betrokkene weer in dienst moet worden genomen, wat hij uiterst onwenselijk acht. In zoverre heeft hij spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Vooropgesteld wordt dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak volgens verzoeker niet in stand zal kunnen blijven op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als deze geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd. Weliswaar zijn gevallen denkbaar waarin de bij de uitvoering van een uitspraak betrokken belangen dermate zwaarwegend zijn dat aan de hand van een voorlopig oordeel omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat die uitspraak in stand zal kunnen blijven, wordt bezien of voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel in het concrete voorliggende geval aanleiding bestaat, maar daarvan is in dit geval geen sprake.
4.3.
De aangevallen uitspraak houdt voor verzoeker niet meer en niet minder in dan dat hij met inachtneming van de overwegingen van die uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. De aangevallen uitspraak noopt (nog) niet tot het herstel van het dienstverband met betrokkene, nu het handhaven van het ontslag door de overwegingen van de rechtbank geenszins op voorhand is uitgesloten of vrijwel onmogelijk is gemaakt.
4.4.
De door verzoeker aangevoerde redenen leveren niet een zwaarwegend (spoedeisend) belang op als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb. De door verzoeker geschetste nadelen die verbonden zijn aan onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak gaan niet uit boven wat in het algemeen krachtens het wettelijk stelsel zoals onder 4.1 en 4.2 weergegeven, voor rekening van het betrokken bestuursorgaan dient te worden gelaten. Dat naleving van de aangevallen uitspraak leidt tot voor verzoekers organisatie onoverkomelijke problemen of risico’s heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van Pro de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en afgewezen moet worden.
5. Niet gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek
om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2016.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) P.W.J. Hospel

JL