ECLI:NL:CRVB:2016:153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- G. van Zeben-de Vries
- P. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig productiemedewerker, kreeg in 2001 een WAO-uitkering toegekend met ingang van 1992 vanwege kniebandletsel. Het UWV trok deze uitkering in 2002 terug wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en weigerde latere aanvragen wegens het ontbreken van arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit dezelfde oorzaak. Diverse rechterlijke uitspraken bevestigden deze besluiten.
Appellant stelde in 2012 opnieuw een aanvraag in en voerde toegenomen arbeidsongeschiktheid aan, ondersteund door medische verklaringen van specialisten. Het UWV weigerde terug te komen op eerdere besluiten en het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit en oordeelde dat appellant niet verzekerd was voor WAO na 1997.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de aanvraag moest worden beoordeeld naar zijn strekking, als verzoek tot terugkomen op eerdere besluiten, herziening voor de toekomst en beroep op de Wet Amber. Er waren geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die herziening rechtvaardigen. Medische verklaringen die pas in hoger beroep werden ingediend, konden niet worden meegewogen. De Raad concludeerde dat appellant terecht geen uitkering werd toegekend en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een WAO-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of toegenomen arbeidsongeschiktheid.