Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1536

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2016
Publicatiedatum
28 april 2016
Zaaknummer
15-4509 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 1 WWBArt. 18 lid 2 WWBArt. 8 lid 1 onderdeel b WWBArt. 2 lid 2 Verordening afstemming en handhaving 2012Art. 4 lid 1 onderdeel a Verordening afstemming en handhaving 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging maatregel verlaging bijstand wegens onvoldoende gebruik voorziening

Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd aangemeld voor een re-integratietraject met een proefplaatsing als taxichauffeur. Deze proefplaatsing werd voortijdig beëindigd. Het college legde daarop een maatregel op door de bijstand met 100% te verlagen gedurende een maand, omdat appellant onvoldoende gebruik zou hebben gemaakt van de voorziening door ongewenst gedrag jegens de leidinggevende.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep betwist appellant de beschuldigingen en stelt dat de beëindiging van de proefplaatsing niet het gevolg was van zijn uitlatingen tijdens een telefoongesprek. De Raad oordeelt dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de feiten en geen voldoende onderbouwing heeft gegeven voor het standpunt dat de beëindiging van de proefplaatsing het gevolg was van de uitlatingen van appellant.

De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en het besluit van 16 april 2014, en veroordeelt het college in de kosten van appellant. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed. Hiermee wordt het besluit tot verlaging van de bijstand ongedaan gemaakt wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing en onzorgvuldige besluitvorming.

Uitspraak

15/4509 WWB
Datum uitspraak: 26 april 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juni 2015, 14/5136 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wittensleger. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
S.N. Ramdin.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt met ingang van 23 november 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Voor hem gelden de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.
1.2.
Ten behoeve van zijn re-integratie naar werk heeft het college appellant op 1 januari 2014 aangemeld voor een traject bij LR Re-integratie. In het kader van dit traject is appellant op
1 maart 2014 gestart met een proefplaatsing voor de duur van een maand als taxichauffeur bij [naam bedrijf] op Schiphol, met een concreet uitzicht op een reguliere baan na afloop van deze proefplaatsing. De werkzaamheden bestonden uit het per shuttlebus vervoeren van hotelgasten van de hotels [hotel 1] en [hotel 2] van en naar Schiphol.
1.3.
Nadat de proefplaatsing voortijdig was beëindigd, heeft het college bij besluit van
16 april 2014 bij wijze van maatregel de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2014 gedurende één maand verlaagd met 100%. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening. Appellant heeft ongewenste omgangsvormen en gedrag jegens de leidinggevende van [naam bedrijf], [S.] (S), getoond, als gevolg waarvan de voorziening voortijdig is beëindigd.
1.4.
Bij besluit van 5 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2014 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist dat hij S onheus heeft bejegend en dat als gevolg van zijn bejegening van S de proefplaatsing zou zijn beëindigd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover hier van belang, is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
4.1.2.
Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De hier bedoelde verordening is in dit geval de Verordening afstemming en handhaving 2012 van de gemeente De Ronde Venen (Verordening).
4.1.3.
Artikel 2, tweede lid, van de Verordening bepaalt dat de maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening ziet het college af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
4.1.4.
Ingevolge artikel 9, vierde lid van de Verordening behoort het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van de voorziening tot gedragingen van de vierde categorie. Ingevolge artikel 10 van Pro de Verordening, voor zover van belang, wordt de maatregel, onverminderd artikel 2, tweede lid, vastgesteld op honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.
4.2.
Niet in geschil is - en ook de Raad gaat ervan uit - dat de onderhavige proefplaatsing moet worden aangemerkt als een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.
4.3.
Het besluit tot het opleggen van een maatregel is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Meer concreet betekent dit dat het college zijn standpunt, dat appellant niet of in onvoldoende mate gebruik heeft gemaakt van de aangeboden voorziening, aannemelijk moet maken.
4.4.
Uit de gedingstukken, waaronder het Rapport Maatregel WWB van 17 april 2014, blijkt dat in verband met klachten over het rijgedrag van appellant en zijn manier van omgaan met klanten de managers van beide hotels - voor het einde van de proefplaatsing - bij [naam bedrijf] hebben aangegeven appellant niet meer als chauffeur op de shuttlebus te willen hebben. Tijdens een telefoongesprek op 21 maart 2014 heeft S dit aan appellant kenbaar gemaakt, waarop appellant, naar hij stelt, emotioneel heeft gereageerd. In een e-mailbericht van
21 maart 2014 aan [T.], medewerker van het college, heeft S verslag gedaan van de inhoud van dit gesprek. Dit e-mailbericht luidt als volgt:
“Heb om 12.00 uur vandaag 21 maart telefonische contact gehad met [appellant]. Heb met [appellant] proberen te praten over zijn werkzaamheden bij [hotel 1], helaas niet zo’n vriendelijk gesprek. [hotel 1] is niet tevreden over zijn rijgedrag en manier van omgang met de gasten. [U.] heeft klachten gehad van de manager en directeur van [hotel 1], en wil hem per vandaag niet meer op de shuttle. Voor meer vragen kunnen we uiteraard contact opnemen met [U.]. Maar voor jou info konden wij alle ziektes krijgen die mogelijk zijn, en dan is dit nog netjes uitgedrukt en was er geen normaal gesprek mogelijk.”
4.5.
Zoals ter zitting nader toegelicht, heeft het college niet de kritiek op de door appellant in het kader van de proefplaatsing verrichtte werkzaamheden aan het opleggen van de maatregel ten grondslag gelegd, maar enkel de uitlatingen van appellant tijdens het telefoongesprek op 21 maart 2014. Het college stelt dat deze uitlatingen hebben geleid tot de beëindiging van de proefplaatsing en daarmee tot de voortijdige beëindiging van de voorziening. Het college verwijst voor dit standpunt naar een ongedateerde rapportage van [R.] (R) van LR Re-integratie. In deze rapportage wordt vermeld dat R heeft geïnformeerd bij S naar het verloop van het telefoongesprek op 21 maart 2014, dat S bij die gelegenheid te kennen heeft gegeven geschrokken te zijn van de taal die appellant tijdens dit gesprek bezigde en dat S voornemens was appellant andere werkzaamheden aan te bieden - zodat de proefplaatsing zou doorlopen -, maar hiervan heeft afgezien door de uitlatingen van appellant. Appellant heeft met betrekking tot het telefoongesprek van 21 maart 2014 echter een andere lezing. Hij heeft gesteld dat S reeds bij aanvang van het gesprek heeft gezegd “het houdt op voor jou bij [naam bedrijf]”. Van de intentie tot het aanbieden van andere werkzaamheden in het kader van de betreffende proefplaatsing zou dan ook in het geheel geen sprake zijn.
4.6.
Gelet op wat is overwogen in 4.2 had het op de weg van het college gelegen nader onderzoek te verrichten ter vaststelling van de feiten. Omdat in het onder 4.4 vermelde
e-mailbericht van S in het geheel geen melding wordt gemaakt van de intentie tot het aanbieden van andere werkzaamheden - en daarmee de continuering van de proefplaatsing - en volgens de lezing van appellant reeds bij aanvang van het gesprek de beëindiging van de proefplaatsing ter sprake is gekomen, had het college nader contact moeten opnemen met S om haar te confronteren met de visie van appellant en haar te vragen daarop een reactie te geven.
4.7.
Nu dit achterwege is gebleven, en de overige gedingstukken geen onderbouwing bieden voor het standpunt van het college dat de beëindiging van de proefplaatsing het gevolg is van de uitlatingen van appellant tijdens het telefoongesprek van 21 maart 2014, is het college er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat appellant verwijtbaar gedrag heeft getoond als omschreven in artikel 9, vierde lid, van de Verordening. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en een toereikende feitelijke grondslag ontbeert.
4.8.
De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Nu het college ter zitting heeft verklaard dat er geen andere grondslag is voor het opleggen van de in geschil zijnde maatregel dan wel voor een andere maatregel, ziet de Raad tevens aanleiding het besluit van 16 april 2014 te herroepen.
5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van bezwaar van appellant tot een bedrag van € 992,- voor verleende rechtsbijstand. Tevens bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De kostenveroordeling bedraagt in totaal € 2.976,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2014 gegrond en vernietigt dit besluit;
- herroept het besluit van 16 april 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van
het vernietigde besluit van 5 augustus 2014;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.976,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 168,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) R.G. van den Berg

IJ