ECLI:NL:CRVB:2016:1542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens weigering medewerking huisbezoek
Appellant ontving bijstand en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok deze bijstand in per 26 februari 2014 vanwege weigering medewerking aan een huisbezoek. Het college baseerde dit op meerdere objectieve feiten, zoals een volle brievenbus, bedekte ramen, verklaringen van de buurman en laag waterverbruik, die twijfel opriepen over de juistheid van de opgegeven woonsituatie.
Appellant verscheen op 26 februari 2014 voor een gesprek maar weigerde vragen te beantwoorden en gaf geen toestemming voor een huisbezoek. Het college stelde dat hierdoor het recht op bijstand niet langer kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat er een redelijke grond was voor het huisbezoek en dat appellant voldoende en juist was geïnformeerd over de reden, het doel en de gevolgen van weigering. De Raad verwierp het beroep van appellant dat hij niet was geïnformeerd over de gevolgen en dat er een minder belastende methode mogelijk was. Ook het niet wijzen op een tolk werd niet als doorslaggevend gezien.
De Raad concludeerde dat het college terecht het recht op bijstand niet langer kon vaststellen en dat de intrekking van de bijstand rechtmatig was. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege weigering medewerking aan huisbezoek ondanks voldoende informatie over de gevolgen.