ECLI:NL:CRVB:2016:1574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering wezenuitkering wegens niet aannemelijk overlijden vader
Betrokkene, geboren in 1993, vroeg een wezenuitkering aan na het overlijden van zijn moeder in 2010. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering omdat betrokkene niet voldeed aan de voorwaarde dat beide ouders overleden moeten zijn. Betrokkene voerde aan dat zijn vader sinds zijn vroege jeugd niet in beeld was en dat de Raad voor de Kinderbescherming geen gegevens over zijn vader kon achterhalen.
De rechtbank vernietigde aanvankelijk het besluit wegens onvoldoende motivering van de Svb, maar gaf de Svb de gelegenheid dit te herstellen door aan te tonen dat de vader nog in leven was op het moment van overlijden van de moeder. De Svb stelde dat de bewijslast voor het overlijden van de vader bij betrokkene ligt en dat hij geen procedure tot vaststelling van vermoedelijk overlijden had gevolgd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bewijslast inderdaad bij betrokkene ligt en dat het niet aannemelijk is gemaakt dat de vader is overleden. Omdat de vader betrokkene kort na de geboorte heeft erkend en het ouderlijk gezag niet is ontzet, kan betrokkene niet als ouderloos kind worden beschouwd. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de wezenuitkering.