ECLI:NL:CRVB:2016:158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling re-integratie-inspanningen werkgever bij WIA-uitkering
Appellant was sinds mei 2009 werkzaam bij werkgeefster en viel uit na een auto-ongeluk in juni 2010. Werkgeefster werd door het UWV aanvankelijk beoordeeld als onvoldoende in haar re-integratie-inspanningen, met een loonsanctie tot gevolg. Na bezwaar en beroep werd dit oordeel herzien: de re-integratie-inspanningen bleken voldoende, mede door het inzetten van spoor 2 na een mediation en vaststellingsovereenkomst.
De mediation tussen partijen leidde tot het inzicht dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk was, waarna het traject in spoor 1 werd afgesloten en spoor 2 werd ingezet. Appellant stemde uitdrukkelijk in met deze afspraken. Hoewel werkgeefster niet voortvarend was in het oplossen van het conflict in 2010, was de stagnatie in spoor 1 begrijpelijk en werd daarna adequaat gehandeld.
Appellant voerde verder aan dat het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onrechtmatig was opgesteld, onder meer door het gebruik van vertrouwelijke mediationgegevens en het ontbreken van hoor en wederhoor. De Raad verwierp deze klachten omdat de informatie ook elders bekend was en de hoorplicht van het UWV niet was geschonden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en verklaart het hoger beroep ongegrond.