ECLI:NL:CRVB:2016:1595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vrijstelling inkomsten eenmanszaak bij wachtgeld
Appellant was beroepsmilitair bij de Koninklijke Luchtmacht en werd per 1 december 2011 herplaatsingskandidaat. Omdat geen andere functie werd gevonden, kreeg hij per 1 december 2013 ontslag en werd hem wachtgeld toegekend. Appellant vroeg vrijstelling van inkomsten uit zijn eenmanszaak, die vanaf 2013 omzet genereerde.
De Raad beoordeelde dat de inkomsten uit de eenmanszaak, gestart tijdens non-activiteit, in mindering moeten worden gebracht op het wachtgeld tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of ontslaggerelateerde oorzaken. Appellant stelde dat hij al eerder met zijn bedrijf was begonnen, maar kon dit niet voldoende onderbouwen met bewijsstukken.
De Raad volgde de minister en concludeerde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inkomsten niet verband houden met het ontslag. Daarom was er geen grond voor vrijstelling. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om vrijstelling van inkomsten uit de eenmanszaak bij wachtgeld wordt afgewezen.