ECLI:NL:CRVB:2016:1606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand en afwijzing beroep op willekeurige afschrijving
Appellant ontvangt sinds 1996 bijstand en heeft toestemming om marginale bedrijfsactiviteiten te ontplooien onder voorwaarden van administratieve verantwoording. Het college had bijstand ingetrokken over de periodes 2010 en november 2011, maar de Raad oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de gegevens over 2010 relevant waren en dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet had geschonden, mede omdat hij uiteindelijk alle gevraagde gegevens had overgelegd.
Het college liet een externe accountant de jaarrekening over 2010 onderzoeken, die de winst corrigeerde van €49 naar €4.921. Het college beperkte daarop de terugvordering tot dit bedrag. Appellant voerde aan dat hij een willekeurige afschrijving van 50% mocht toepassen op grond van een regeling uit 2001, wat het terug te betalen bedrag zou verlagen.
De Raad oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor deze regeling in aanmerking komt, noch dat de regeling toepasselijk is binnen het bijstandsrecht. De Raad vernietigt het besluit van 5 maart 2012 wegens strijd met de Awb, herroept het besluit van 24 november 2011 en verklaart het beroep tegen het nader besluit van 9 maart 2015 ongegrond. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand over 2010 en 2011 wordt vernietigd en het beroep op de regeling willekeurige afschrijving wordt ongegrond verklaard.