ECLI:NL:CRVB:2016:1610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand na onterechte afwijzing aanvraag door college Lelystad
Appellant vroeg op 8 mei 2013 bijstand aan bij het college van burgemeester en wethouders van Lelystad. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij onvoldoende middelen had om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk aannemelijk had gemaakt dat hij vanaf het moment dat hij in Lelystad een kamer huurde bijstandsbehoeftig was. De Raad beoordeelde de periode van 27 maart 2013 tot 1 juli 2013 en concludeerde dat appellant voldoende inzicht had gegeven in zijn financiële situatie, mede aan de hand van bankafschriften en bewijsstukken over leningen en boetebetalingen.
De Raad stelde vast dat appellant zijn inlichtingenplicht had nageleefd en dat het college ten onrechte de aanvraag had afgewezen. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd. De Raad besloot zelf te voorzien door het college te verplichten bijstand toe te kennen over de genoemde periode volgens de norm voor een alleenstaande. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding toegewezen en het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het college wordt verplicht bijstand toe te kennen over de periode 27 maart tot 1 juli 2013 en veroordeeld in de kosten.