ECLI:NL:CRVB:2016:1649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor passende functies
Appellant was werkzaam als schoonmaker en meldde zich in 2009 ziek. Na een verlengde wachttijd stelde het UWV vast dat appellant vanaf 9 augustus 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Later meldde appellant zich opnieuw ziek wegens rug- en schouderklachten en ontving toen een WW-uitkering.
Een verzekeringsarts beoordeelde appellant in januari 2014 en achtte hem geschikt voor ten minste één van de functies die in het kader van de WIA-beoordeling waren vastgesteld. Op basis hiervan beëindigde het UWV de Ziektewetuitkering per 3 februari 2014. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank, die het UWV-besluit bevestigde.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn psychische en lichamelijke klachten werden onderschat en dat hij niet geschikt was voor de voorgestelde functies. De Raad volgde het oordeel van de verzekeringsarts en de rechtbank, omdat appellant geen nieuwe medische informatie aanleverde en de psychische klachten niet op de datum in geschil waren vastgesteld.
De Raad oordeelde dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij geschikt is voor ten minste één passende functie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.