ECLI:NL:CRVB:2016:1653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van blokkering bijstand ondanks onduidelijkheid verblijfplaats appellant
Appellant ontving bijstand volgens de WWB en woonde in een beschermde woonvoorziening. Na het melden van het verlies van zijn sleutels en het ontbreken van een vaste verblijfplaats sinds 14 februari 2014, blokkeerde het college de bijstand vanaf 1 februari 2014 in afwachting van onderzoek. De blokkering werd later ongedaan gemaakt, maar het bezwaar tegen de blokkering werd ongegrond verklaard.
Appellant stelde dat de blokkering onterecht was omdat zijn woonsituatie in de periode 1-14 februari 2014 duidelijk was en dat het college de bevoegdheid tot blokkering misbruikte om hem te dwingen de nachtopvang te gebruiken. De Raad oordeelde dat het college op goede gronden een gegrond vermoeden kon hebben dat appellant niet aan de voorwaarden voor bijstand voldeed vanwege het ontbreken van inlichtingen over zijn verblijfplaats vanaf 14 februari.
De Raad verwierp het verweer van détournement de pouvoir omdat appellant dit niet onderbouwde. Omdat de blokkering feitelijk ongedaan was gemaakt, was alleen de vergoeding van de kosten in bezwaar aan de orde, welke werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De blokkering van de bijstand vanaf 1 februari 2014 wordt bevestigd en vergoeding van kosten afgewezen.