ECLI:NL:CRVB:2016:167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke woonsituatie
Appellant had bijstand ontvangen tot april 2013 en stond sinds maart 2013 niet meer ingeschreven in de Basisregistratie personen. Op 11 december 2013 vroeg hij bijstand aan, waarbij hij aangaf geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben en tijdelijk bij een derde te verblijven. Het college verzocht om bewijsstukken zoals huurcontract en inschrijving, maar appellant leverde deze niet binnen de gestelde termijn aan. Daarom werd de aanvraag afgewezen wegens onvolledige inlichtingen.
Appellant maakte bezwaar, maar het college handhaafde het besluit omdat hij niet kon aantonen waar hij zijn hoofdverblijf had en hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij woonachtig was op het opgegeven adres en door familie werd onderhouden.
De Raad oordeelde dat de woonplaats moet worden vastgesteld op basis van concrete feiten en dat appellant verplicht is juiste en volledige informatie te verstrekken. Appellant had tegenstrijdige verklaringen afgelegd en de gevraagde bewijsstukken ontbraken. De verklaringen van derden waren onvoldoende concreet over de verblijfstijden. Hierdoor kon het college het recht op bijstand niet vaststellen.
De Raad concludeerde dat appellant tekort was geschoten in zijn inlichtingenplicht volgens artikel 17 WWB Pro en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen vanwege onvoldoende en tegenstrijdige informatie over zijn woonadres.