1.3.Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 17 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 juni 2014, de bijstand van appellante over de maanden november 2006, januari, maart, april, oktober en november 2007, februari, maart en september 2008, mei, augustus en oktober 2009, september en november 2010, maart, juni, juli en oktober 2011 en januari 2012 herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 25.968,93 bruto van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door haar uitgevoerde geldtransacties en dat gelet op het aantal transacties en de daarmee gemoeide bedragen sprake is van activiteiten die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Het college is op basis van het rapport van 27 januari 2014 terecht tot de conclusie gekomen dat gelet op het aantal transacties en de daarmee gemoeide bedragen sprake is van op geld waardeerbare arbeid. Appellante heeft haar stelling dat het geld bestemd was voor haar familie en afkomstig was uit haar eigen inkomsten niet met objectieve gegevens onderbouwd. Hierdoor is die stelling niet aannemelijk geworden, zodat het college terecht is uitgegaan van de verklaringen van appellante zoals opgenomen in het rapport. De rechtbank volgt appellante niet in haar stelling dat zij niet wist dat op haar een inlichtingenverplichting rustte. In de toelichting bij het toekenningsbesluit van bijstand van 22 december 2004 is onder meer de verplichting opgenomen dat appellante het college onmiddellijk moet informeren als iets in haar omstandigheden verandert wat van invloed kan zijn op haar uitkering, waaronder een wijziging in haar inkomsten. Ook in het toekenningsbesluit van 16 juni 2011 staat vermeld dat appellante wijzigingen in haar persoonlijke en financiële situatie moet doorgeven aan het college, waaronder de ontvangst van extra inkomsten. Voorts is de rechtbank van oordeel dat gelet op het aantal transacties en de daarmee gemoeide bedragen, appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze activiteiten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Aangezien niet in geschil is dat appellante de activiteiten niet heeft gemeld aan het college, staat vast dat appellante gelet op het voorgaande de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden. Niet in geschil is voorts dat appellante van haar inkomsten uit de transacties geen administratie of boekhouding heeft bijgehouden. De verklaring van appellante dat zij als vergoeding slechts € 20, - tot € 30, - per transactie heeft ontvangen, heeft zij evenmin met bewijsstukken onderbouwd. Ook overigens zijn geen verifieerbare gegevens overgelegd waaruit de omvang van de door haar genoten inkomsten blijkt. Dat betekent dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het recht op bijstand in de betreffende perioden alsnog kan worden vastgesteld.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft verzocht al hetgeen eerder in haar zaak is betoogd als herhaald en ingelast te beschouwen. Zij heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet wist dat op haar een inlichtingenverplichting rustte. Door haar slechte kennis van de Nederlandse taal heeft zij de toelichting bij de toekenningsbesluiten niet kunnen lezen. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het appellante, gelet op het aantal transacties en de daarmee gemoeide bedragen, redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat die activiteiten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.