Uitspraak
28 oktober 2014, 14/3892 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante diende op 14 november 2013 een aanvraag om bijstand in als alleenstaande ouder, waarbij zij verklaarde in te wonen bij haar broer. De gemeente Amsterdam voerde een onderzoek uit, inclusief huisbezoek en verhoor, waaruit bleek dat appellante en haar broer gezamenlijk zorg droegen voor het huishouden en kosten deelden. Op basis hiervan wees het college de aanvraag af wegens gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar verklaring onjuist was en dat zij een stabiele familiesfeer had voorgewend vanwege Jeugdzorg om uithuisplaatsing van haar kinderen te voorkomen. De Raad beoordeelde of appellante aan haar verklaring kon worden gehouden.
De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak verklaringen tegenover sociale rechercheurs ondertekend en niet direct ingetrokken kunnen worden zonder bijzondere omstandigheden. Appellante had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar verklaring onder dwang was afgelegd. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens gezamenlijke huishouding met broer; hoger beroep wordt ongegrond verklaard.