ECLI:NL:CRVB:2016:1706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- P.W. van Straalen
- J.T.H. Zimmerman
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding zonder voldoende feitelijke grondslag
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande ouder. Het bestuur stelde na een anonieme melding een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij werd onderzocht of de partner van appellante, L, hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Op basis van dit onderzoek trok het bestuur de bijstand in en vorderde het onterecht betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek en de bevindingen onvoldoende feitelijke grondslag boden om te concluderen dat L zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Verklaringen van appellante, leerkrachten en de huismeester waren onvoldoende om het zwaartepunt van L's persoonlijke leven op het adres vast te stellen.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en het besluit tot intrekking van de bijstand en veroordeelde het bestuur tot vergoeding van wettelijke rente over de te weinig betaalde bijstand en tot vergoeding van de proceskosten van appellante. Het bestuur moet ook het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag, met toekenning van schadevergoeding en kosten aan appellante.