ECLI:NL:CRVB:2016:172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke woonsituatie
Appellant vroeg op 28 december 2013 bijstand aan bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam en gaf op het aanvraagformulier aan bij zijn vader te wonen. Het college vroeg nadere gegevens, waarop appellant tegenstrijdige verklaringen gaf, waaronder dat hij door zijn vader was uitgezet en geen vast woonadres had.
Het college weigerde de bijstand op 12 februari 2014 wegens onvoldoende duidelijkheid over zijn verblijfplaats en levensonderhoud. Appellant maakte bezwaar, waarna de voorzieningenrechter het besluit schorste op basis van een verklaring van de vader dat appellant sinds 2012 bij hem woonde.
Tijdens het bezwaaronderzoek weigerde appellant mee te werken aan een huisbezoek, met als gevolg dat de woonsituatie onduidelijk bleef. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de appellant onvoldoende medewerking verleende en geen aannemelijke verklaring gaf voor het weigeren van het huisbezoek. De onduidelijke woonsituatie vormde een voldoende grondslag voor afwijzing van de bijstand. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onduidelijke woonsituatie en onvoldoende medewerking.