ECLI:NL:CRVB:2016:1737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op GBA-adres
Appellante ontving studiefinanciering als uitwonende studente voor de jaren 2012 en 2013. De minister voerde een huisbezoek uit op het GBA-adres waar appellante stond ingeschreven, maar waaruit bleek dat zij daar niet daadwerkelijk woonde. Het rapport van het huisbezoek vermeldde slechts beperkte persoonlijke spullen van appellante, onvoldoende om haar bewoning aannemelijk te maken.
De minister herzag de studiefinanciering en kwalificeerde appellante als thuiswonende, waarna het teveel betaalde bedrag werd teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat er wel voldoende bewijs was van bewoning en dat de belangenafweging ontbrak.
De Raad oordeelde dat de minister aan de bewijslast had voldaan met het huisbezoekrapport en dat de stellingen van appellante onvoldoende waren om het oordeel te weerleggen. Verder is op grond van de Wsf 2000 geen ruimte voor belangenafweging bij het vaststellen van het recht op studiefinanciering. De Raad verwierp ook het verweer dat het onderzoek ondeugdelijk was vanwege het niet afgeven van een DUO-folder.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; studiefinanciering herzien en terugvordering bevestigd.