ECLI:NL:CRVB:2016:1738
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening studiefinanciering op basis van huisbezoek en woonsituatie
Appellant ontving studiefinanciering als uitwonende student, maar stond ingeschreven op een adres waar ook familie woonde. De minister liet een huisbezoek uitvoeren om de feitelijke woonsituatie te controleren. Tijdens het bezoek werden geen persoonlijke spullen van appellant aangetroffen in de kamer die aan hem werd toegeschreven, maar wel spullen van een familielid. Op basis van het rapport besloot de minister de studiefinanciering te herzien en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze herziening ongegrond, omdat de bevindingen van de controleurs voldoende feitelijke grondslag boden en de stellingen van appellant onvoldoende waren om aan deze conclusie te twijfelen. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de hoofdbewoner de Nederlandse taal onvoldoende machtig was en dat persoonlijke spullen van hem wel aanwezig waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het rapport en de verklaring van de hoofdbewoner betrouwbaar waren en dat de door appellant aangevoerde tegenargumenten onvoldoende waren om het standpunt van de minister te weerleggen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en de herziening van de studiefinanciering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De herziening van de studiefinanciering naar de norm voor thuiswonende studenten wordt bevestigd en het te veel betaalde bedrag wordt teruggevorderd.