Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1752

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2016
Publicatiedatum
13 mei 2016
Zaaknummer
15/1724 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 44 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag

Appellant, die sinds 2000 arbeidsongeschikt is vanwege de ziekte van Bechterew, ontving een WAO-uitkering en werkte daarna tijdelijk als manager. Na ziekmelding in 2012 stelde het UWV vast dat appellant per 26 augustus 2013 geen recht meer had op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarbij ook medische stukken van de huisarts werden meegewogen.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn stelling dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij psychische klachten had, waaronder ADHD. De Raad toetste het medisch onderzoek en concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor ernstige psychopathologie op de datum van het besluit. De nieuwe ziekmelding in november 2013 leidde niet tot een andere beoordeling van de situatie op 26 augustus 2013.

De Raad concludeert dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

15/1724 ZW
Datum uitspraak: 11 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
29 januari 2015, 13/6577 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2016. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op 9 oktober 2000 uitgevallen voor zijn werk als magazijnmedewerker als gevolg van de ziekte van Bechterew. Vanaf oktober 2001 ontvangt hij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Na herbeoordeling, laatstelijk in 2006, is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 25 tot 35%. Van
1 juni 2011 tot 1 december 2011 heeft appellant voor 40 uur per week gewerkt in de functie van manager, waarvan de inkomsten met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO op de arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering werden gebracht. Aansluitend aan de beëindiging van dit dienstverband ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Vanuit die situatie heeft appellant zich op 27 september 2012 met zowel fysieke als psychische klachten ziek gemeld.
1.2.
Appellant heeft meerder malen het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht, voor het laatst op 23 augustus 2013. Deze arts heeft appellant per 26 augustus 2013 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van manager. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 23 augustus 2013 vastgesteld dat appellant per 26 augustus 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 november 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 november 2013 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de betrokken verzekeringsartsen. De rechtbank heeft in haar uitspraak ook aandacht besteed aan de door appellant in beroep overgelegde stukken, onder andere van de huisarts van 13 januari 2014.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant, samengevat, zijn standpunt gehandhaafd dat zijn beperkingen zijn onderschat, dat sprake is van ADHD en dat hij voor zijn psychische klachten diverse behandelingen heeft ondergaan en daarvoor nog steeds in behandeling is.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is goeddeels een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden volledig onderschreven.
4.3.
Er bestaat geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben appellant zelf gezien en onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij de beschikking gehad over informatie van de huisarts van 10 oktober 2013. De verzekeringsarts kon bij onderzoek geen ernstige psychopathologie en of persoonlijkheidsproblematiek vaststellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zag bij onderzoek, behalve spanningsklachten samenhangend met relatieproblemen, ook geen aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er op de datum in geding, te weten
26 augustus 2013, sprake was van een situatie waarin hij zijn arbeid niet kon verrichten als gevolg van psychische klachten. De in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts en GZ-psycholoog V.I. Tiemens bieden daarvoor geen grond.
4.4.
Uit de omstandigheid dat het Uwv een nieuwe ziekmelding per 28 november 2013 heeft geaccepteerd kan, anders dan appellant stelt, niet zonder meer volgen dat hij op de datum in geding, 26 augustus 2013, meer beperkt zou moeten worden geacht dan door het Uwv is aangenomen. Uit het in beroep overgelegde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 oktober 2014 blijkt dat een verzekeringsarts reeds op 8 januari 2014 heeft geconcludeerd dat de psychische situatie van appellant niet is gewijzigd, maar dat appellant opnieuw in de ZW is geaccepteerd omdat hij op zeer korte termijn zou worden opgenomen in een kliniek voor een behandeling voor verslaving aan verdovende middelen. Door een te verwachten verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant, met name ontwenningsverschijnselen, is besloten om appellant de ruimte te geven, zo blijkt uit het door het Uwv in beroep overgelegde medisch rapport van 8 januari 2014. Ook uit de in hoger beroep overgelegde informatie van GZ-psycholoog Tiemens van 8 september 2014 blijkt dat appellant na een intake in januari 2014, ruim na de datum hier in geding, een klinische detox heeft doorlopen en vervolgens een ambulante groepsbehandeling heeft gehad.
5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter, in tegenwoordigheid van
L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2016.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) L.L. van den IJssel
ew