ECLI:NL:CRVB:2016:1767
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres in Tilburg. Het college stelde op basis van onderzoek en huisbezoeken vast dat zij in de beoordelingsperiode niet op dat adres woonde, maar elders verbleef. Appellante gaf geen melding van haar werkelijke woonadres en werkte niet mee aan een huisbezoek bij haar ouders.
De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellante niet woonachtig was op het uitkeringsadres, mede door de leegstaande en verbouwde staat van de woning en het ontbreken van persoonlijke spullen. De door appellante overgelegde verklaringen van buurtbewoners en haar zwager waren onvoldoende en onbetrouwbaar.
Daarmee was sprake van een schending van de inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het college was daarom bevoegd de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en de kosten terug te vorderen. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering worden bevestigd wegens niet-wonen op het uitkeringsadres en schending van de inlichtingenverplichting.