ECLI:NL:CRVB:2016:1773
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.G. Hink
- J.T.H. Zimmerman
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende inzicht in bestaanskosten voorafgaand aan aanvraag
Appellanten, voormalig ondernemer en partner, hebben na beëindiging van hun bedrijf een aanvraag voor bijstand ingediend. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat appellanten onvoldoende verifieerbare gegevens hebben verstrekt over hun levensonderhoud in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Ondanks verzoeken om nadere informatie, waaronder toelichting op kasstortingen en leningen bij familie, bleven concrete bewijsstukken achterwege.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad stelde vast dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij appellanten lag en dat zij niet aannemelijk hadden gemaakt hoe zij hun bestaanskosten hadden gedekt. Ook was onduidelijk of zij hun bedrijfsactiviteiten na de aanvraag hadden voortgezet, wat het recht op bijstand verder bemoeilijkte.
De Raad concludeerde dat het college terecht de aanvraag had afgewezen omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 mei 2016.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende inzicht in de financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag.