ECLI:NL:CRVB:2016:1784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering naar thuiswonende studerende wegens onvoldoende feitelijke woonplaats
Appellant was ingeschreven op een adres in de basisregistratie personen (BRP), maar ontving studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studenten. De minister voerde een huisbezoek uit waarbij werd vastgesteld dat appellant feitelijk niet op het BRP-adres woonde. Het rapport vermeldde dat er nauwelijks persoonlijke spullen van appellant aanwezig waren en dat hij zijn administratie en studiespullen elders had ondergebracht.
De minister herzag daarop de studiefinanciering en kwalificeerde appellant als thuiswonende studerende, met terugvordering van te veel betaalde bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het rapport een voldoende feitelijke grondslag bood voor de conclusie van de minister.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege schuldsanering noodgedwongen bij zijn zus woonde en dat de rechtbank onvoldoende waarde had gehecht aan zijn bewijsstukken. De Raad oordeelde dat appellant geen wezenlijk nieuwe feiten aanvoerde en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verklaringen van de hoofdbewoner en getuigen waren onvoldoende om aannemelijk te maken dat appellant daadwerkelijk op het BRP-adres woonde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant als thuiswonende studerende moet worden aangemerkt en wijst het hoger beroep af.