ECLI:NL:CRVB:2016:1786
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering indicatie begeleiding individueel en persoonlijke verzorging
Appellante, bekend met depressie, posttraumatische stresstoornis en het syndroom van Sjögren, vroeg op 19 november 2013 een indicatie aan bij het CIZ voor begeleiding individueel en persoonlijke verzorging op grond van de AWBZ. Het CIZ wees deze aanvraag op 17 december 2013 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 12 juni 2014, gesteund op een medisch advies waarin matige beperkingen werden vastgesteld die mogelijk kunnen afnemen door behandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch advies voldoende zorgvuldig was en appellante geen objectieve gegevens had aangeleverd die het tegendeel bewezen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de medische beoordeling onvoldoende zorgvuldig was en dat haar beperkingen werden onderschat, met het verzoek om een deskundige te benoemen.
De Raad oordeelde dat appellante geen nieuwe feiten of argumenten had aangedragen en sloot zich aan bij de rechtbank. De medisch adviseur had uitgebreid dossieronderzoek gedaan en overleg gepleegd met behandelaars, zonder aanleiding tot twijfel aan het advies. Er was geen bewijs dat verdere behandeling zinloos was of dat de beperkingen onjuist waren ingeschat. Daarom was benoeming van een deskundige niet nodig en werd het hoger beroep afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het CIZ om een indicatie toe te kennen.