ECLI:NL:CRVB:2016:1796
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet opgegeven werkzaamheden
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werkte sinds februari 2013 als oproepkracht bij een afhaalrestaurant. Uit onderzoek bleek dat appellant meer uren werkte dan hij had opgegeven, terwijl hij geen administratie bijhield. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij slechts als vriendendienst aanwezig was en geen geld ontving voor extra uren. De Raad oordeelde dat aanwezigheid tijdens reguliere werktijden de veronderstelling rechtvaardigt dat er op geld waardeerbare arbeid is verricht. Appellant kon dit niet weerleggen.
De Raad bevestigde dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het college terecht de bijstand introk en de kosten terugvorderde. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de terugvordering van kosten worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht.