Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1801

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 mei 2016
Publicatiedatum
18 mei 2016
Zaaknummer
15/2443 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 54 lid 3 WWBArt. 58 lid 1 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering bijstand wegens niet opgegeven inkomsten uit werkzaamheden

Appellant ontving bijstand op grond van de WWB vanaf februari 2013. Na een IB-signaal stelde de gemeente Den Haag vast dat appellant in oktober 2013 werkzaamheden verrichtte en €404,39 verdiende, welke inkomsten niet schriftelijk waren opgegeven.

Het college herzag de bijstand over oktober 2013 en vorderde het bedrag van €404,39 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij telefonisch had gemeld te werken en dat een deel van de betalingen na de periode in geding was ontvangen.

De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting niet was nageleefd omdat de inkomsten niet schriftelijk waren gemeld. De terugvordering was terecht, omdat de betalingen weliswaar later plaatsvonden, maar betrekking hadden op werkzaamheden in de periode in geding. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand over oktober 2013 wegens niet opgegeven inkomsten.

Uitspraak

15/2443 WWB
Datum uitspraak: 17 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
26 februari 2015, 14/10319 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K. Renssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2016. Voor appellant is verschenen mr. Renssen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 20 februari 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij het toekenningsbesluit van 9 april 2013 is, voor zover van belang, aan appellant meegedeeld dat extra inkomsten aan het college moeten worden doorgegeven op het bij dat besluit gevoegde wijzigingsformulier.
1.2.
Naar aanleiding van een IB-signaal van 2 januari 2014 heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst SZW van de gemeente Den Haag een onderzoek ingesteld en vastgesteld dat appellant via Randstad Uitzendbureau van 2 oktober 2013 tot en met
28 oktober 2013 werkzaamheden heeft verricht, waarmee hij (netto) € 404,39 heeft verdiend.
1.3.
Bij besluit van 16 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 oktober 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 oktober 2013 (periode in geding) herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van in totaal € 404,39 van appellant teruggevorderd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
4.2.
De beroepsgrond van appellant dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat hij op 7 oktober 2013 telefonisch heeft doorgegeven dat hij moest werken, slaagt niet. Niet in geschil is dat appellant in de periode in geding werkzaamheden heeft verricht en hieruit inkomsten heeft genoten. Evenmin is in geschil dat appellant deze werkzaamheden en inkomsten niet schriftelijk op het daarvoor bestemde wijzigingsformulier heeft opgegeven bij het college.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het college ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB gehouden was de bijstand over de periode in geding te herzien. Voorts was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB gehouden de ten onrechte of teveel betaalde kosten van bijstand terug te vorderen.
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat op 28 oktober 2013 € 73,67 is overgemaakt en op
4 november 2013 € 88,52 vanwege zijn werkzaamheden. Volgens appellant zijn deze betalingen ontvangen na de periode in geding en dient daarom het teruggevorderde bedrag te worden verminderd met in totaal € 162,19. Dit betoog slaagt niet. Niet in geschil is dat de door appellant genoemde betalingen betrekking hebben op de door appellant in de periode in geding verrichte - niet opgegeven - werkzaamheden. Het college heeft die betalingen (inkomsten) terecht toegerekend aan die periode en de terugvordering daarmee tot een juist bedrag berekend.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2016.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) B. Fotchind

HD