ECLI:NL:CRVB:2016:1811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag bijstand na intrekking wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds november 2010 bijstand als alleenstaande ouder, maar deze werd ingetrokken omdat zij met de vader van haar kinderen een gezamenlijke huishouding voerde. Na een nieuwe aanvraag in 2013 werd deze afgewezen wegens het niet meewerken aan een huisbezoek. Een later huisbezoek in februari 2014 bevestigde dat de vermeende partner nog steeds op het adres verbleef.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden die haar recht op bijstand als alleenstaande ouder zouden rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat het college terecht de aanvraag afwees en de voorschotten terugvorderde, mede omdat de verklaring van appellante dat de partner het adres alleen als postadres gebruikte onvoldoende overtuigend was. Ook andere aangevoerde gronden, zoals vermeende vooringenomenheid van het college, werden niet gegrond bevonden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.