Uitspraak
OVERWEGINGEN
f.940,-. Het besluit van 28 januari 2000 is door de Raad bij uitspraak van 23 augustus 2001 (nummer 00/984 WUV) vernietigd waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht om vergoeding voor huishoudelijke hulp en tandheelkundige behandeling. De Sociale verzekeringsbank wees deze verzoeken af omdat geen medische noodzaak werd vastgesteld en de overige gezondheidsklachten niet aan de vervolging konden worden toegeschreven.
De Raad oordeelde dat appellant niet onder tandheelkundige behandeling is en dat een actueel behandelplan ontbreekt, waardoor geen medische noodzaak kan worden vastgesteld. De overige klachten zijn volgens geneeskundig adviseurs degeneratief en leeftijdsgebonden, niet veroorzaakt door vervolging. Voor huishoudelijke hulp geldt dat appellant in staat wordt geacht zware huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren.
De Raad acht het beleid van verweerder niet onredelijk en ziet geen aanleiding het besluit te wijzigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van vergoeding voor huishoudelijke hulp en tandheelkundige behandeling blijft in stand.