ECLI:NL:CRVB:2016:183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens niet tijdig verstrekken bankafschriften
Appellante ontvangt sinds 1995 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een signaal over onbekende bankrekeningen, waaronder een en/of-rekening met een saldo van €15.591, vroeg het college om bankafschriften. Omdat appellante deze niet tijdig overlegde, werd de bijstand opgeschort en later ingetrokken.
Appellante overhandigde later alsnog stukken en stelde dat het vermogen op de rekening geen gevolgen had voor haar bijstand. Het college concludeerde dat zij niet over het vermogen kon beschikken en dat dit geen invloed had op de bijstand. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de intrekkingsbesluiten ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat de gevraagde gegevens niet van belang waren en dat het college zijn bevoegdheid misbruikte. De Raad oordeelde dat de bankrekening wel degelijk relevant was en dat het college terecht de bijstand opschortte en introk wegens het niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens. Misbruik van bevoegdheid werd verworpen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet tijdig overleggen van bankafschriften wordt bevestigd.