ECLI:NL:CRVB:2016:1843
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W.F. Claessens
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens onverklaarde discrepantie tussen uitgaven en inkomsten en autohandel
Betrokkene ontving sinds 1980 bijstand, laatstelijk op grond van de WWB. Uit onderzoek van de sociale recherche bleek dat betrokkene tussen 2002 en 2012 meerdere voertuigen op zijn naam had en transacties verrichtte, wat leidde tot een vermoeden van aanvullende inkomsten naast de bijstand. Appellant trok daarom de bijstand over de periode 2007 tot en met juli 2012 in wegens schending van de inlichtingenplicht en onverklaarde discrepantie tussen uitgaven en inkomsten.
De rechtbank vernietigde het besluit deels, met uitzondering van de intrekking over twaalf specifieke maanden, en oordeelde dat de intrekking niet over de gehele periode gerechtvaardigd was. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de primaire grondslag van de intrekking niet volledig had beoordeeld en dat de autohandel slechts subsidiair was.
De Raad oordeelde dat beide gronden naast elkaar waren gehanteerd en dat de rechtbank deze in onderlinge samenhang mocht beoordelen. De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat de hogere uitgaven niet uit de autohandel konden worden verklaard, mede door het gebruik van algemene NIBUD-normen en het ontbreken van concrete gegevens. De Raad vernietigde het oordeel over de maanden augustus tot en met december 2012, bevestigde de rest van de uitspraak en wees proceskosten af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt deels bevestigd en deels vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing en onjuiste periode.