ECLI:NL:CRVB:2016:1866
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake uitkeringsrecht ambtenaar na uitdiensttreding
Verzoeker, de Staatssecretaris van Financiën, heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg die bepaalde dat betrokkene vanaf zijn uitdiensttreding op 9 april 2015 recht heeft op een uitkering op grond van artikel 38, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Verzoeker vroeg tevens om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij de uitkering zou moeten verstrekken over de periode van 9 april 2015 tot 9 oktober 2016.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep overwoog dat het instellen van hoger beroep in deze bestuursrechtelijke context geen schorsende werking heeft en dat het enkele feit dat de aangevallen uitspraak mogelijk niet in stand blijft onvoldoende is om een voorlopige voorziening toe te kennen. De door verzoeker aangevoerde financiële en organisatorische bezwaren wegen niet zwaarder dan het wettelijke stelsel dat naleving van de uitspraak vereist.
Verder is niet gebleken van een bijzonder verhaalsrisico bij betrokkene. Gelet op het ontbreken van onverwijlde spoed en zwaarwegende belangen werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed en zwaarwegende belangen.