Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1875

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2016
Publicatiedatum
23 mei 2016
Zaaknummer
15/3649 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op inschrijfadres

Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar studiefinanciering, waarbij zij vanaf januari 2012 als thuiswonend werd aangemerkt en een te veel ontvangen bedrag van €4.826,25 werd teruggevorderd. Zij stelde dat zij wel degelijk op het adres in de basisregistratie personen (brp) woonde en verwees naar getuigenverklaringen en eigendommen in de woning.

De Raad oordeelde dat het onderzoek door de minister zorgvuldig was uitgevoerd, ook zonder aanwezigheid van appellante bij het huisbezoek. De controleurs hadden vrijwel geen persoonlijke eigendommen van appellante aangetroffen, hetgeen niet werd weerlegd door de getuigenverklaringen die onvoldoende concreet waren over de relevante periode. De taalvaardigheid van de hoofdbewoonster was voldoende om het onderzoek correct te laten verlopen.

Daarmee kon niet worden afgeweken van het oordeel dat appellante niet op het adres woont waarop zij in de brp staat ingeschreven. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De herziening van de studiefinanciering wordt bevestigd en het te veel betaalde bedrag wordt teruggevorderd.

Uitspraak

15/3649 WSF
Datum uitspraak: 18 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
9 april 2015, 14/5046 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kuit. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 24 juni 2014 (bestreden besluit) waarbij de minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 25 januari 2014 heeft gehandhaafd. Bij dat besluit heeft de minister de vanaf januari 2012 aan appellante toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellante vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellante over januari 2012 tot en met januari 2014 te veel betaalde bedrag van € 4.826,25 is daarbij van haar teruggevorderd. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellante niet woont op het adres [adres A] te [woonplaats], waarop zij vanaf 12 december 2011 in de basisregistratie personen (brp) staat ingeschreven.
2.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij daadwerkelijk woont op het
gba-adres. Er zijn voldoende eigendommen van appellante aanwezig in de woning op dit adres. Onder verwijzing naar getuigenverklaringen van buurvrouwen [naam A], [naam B] en [naam C] heeft appellante zich voorts op het standpunt gesteld dat zij niet slechts bij gelegenheid buiten de woning werd aangetroffen, maar dat deze getuigen appellante vaak tegenkwamen en dat ze door één van de getuigen ook in de woning is gezien.
2.2.
Het onderzoek door de minister is daarnaast onvoldoende zorgvuldig geweest. Het huisbezoek door de controleurs op 13 december 2013 was slechts een momentopname en appellante was afwezig, waardoor zij de wel aanwezige zaken niet heeft kunnen tonen. De hoofdbewoonster (appellantes schoonzus) wist niet waar appellante haar kleding en administratie bewaart en het zal haar zijn ontgaan dat appellante veel spullen in dozen in een trapkast bewaart. Voorts is de hoofdbewoonster de Nederlandse taal niet goed machtig, hetgeen ertoe heeft kunnen leiden dat de hoofdbewoonster niet goed heeft begrepen wat van haar werd gevraagd.
3. De Raad oordeelt als volgt.
3.1.1.
Appellante wordt niet gevolgd in haar betoog dat er op neerkomt dat het onderzoek door de minister onzorgvuldig is geweest omdat zij niet bij het huisbezoek aanwezig was. Voorop staat dat het voor het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek in het algemeen niet noodzakelijk is dat de studerende bij het huisbezoek aanwezig is. In dit geval is dat niet anders. Als zou blijken dat tijdens het huisbezoek bepaalde zaken niet zijn opgemerkt of verkeerd zijn geïnterpreteerd, zoals appellante in dit geval naar voren heeft gebracht, dan is er tijdens de bezwaarfase ruim gelegenheid daarvan melding te maken en desgewenst, indien mogelijk, bewijzen te leveren. Appellante heeft deze mogelijkheid ook benut. Zo heeft appellante naar voren gebracht dat als zij bij het huisbezoek aanwezig was geweest, zij haar boeken, post en administratie had kunnen tonen die zich in de trapkast bevonden en dat zich in de wandkast en in een schuurtje meer kleding van appellante bevond. De minister heeft daar echter terecht tegenover gesteld dat de hoofdbewoonster ruim gelegenheid is geboden om appellantes spullen, zoals kleding, te tonen door kasten te openen. Dit heeft de schoonzus ook gedaan en er werden vrijwel geen tot appellante herleidbare spullen aangetroffen. Nu de trapkast en het schuurtje gezamenlijk gebruikte ruimten in en bij de woning zijn, kon de hoofdbewoonster niet geheel onwetend worden geacht over waar appellantes spullen lagen.
3.2.2.
Dat de hoofdbewoonster de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, zoals appellante heeft gesteld, is tijdens het onderzoek niet gebleken. In het rapport van 3 januari 2014 is vermeld dat de hoofdbewoonster de Nederlandse taal niet zo goed beheerste, maar dat zij de controleurs wel begreep door bevestigend of ontkennend te antwoorden. Tevens kon ze redelijk Nederlands spreken en zich verstaanbaar maken, in ieder geval voldoende om de controle te laten plaatsvinden. Blijkens het rapport reageerde de hoofdbewoonster adequaat op de door de controleurs gestelde vragen en gedane verzoeken om spullen te tonen.
3.3.
Niet is gebleken dat de controleurs in hun rapport van 3 januari 2014 een onjuiste weergave van hun bevindingen van het huisbezoek hebben gegeven. Zij hebben al hetgeen zij van appellante hebben aangetroffen genoteerd en een verklaring bij de hoofdbewoonster afgenomen die ook door de hoofdbewoonster is ondertekend. De door appellante aangevoerde gronden kunnen daarom niet leiden tot het oordeel dat niet mag worden afgegaan op hetgeen is vermeld in het rapport.
3.4.
Uit de getuigenverklaringen blijkt een onvoldoende weerlegging van de bevindingen van de controleurs. Terecht heeft de rechtbank daarbij van doorslaggevend belang geacht dat volgens deze bevindingen nauwelijks persoonlijke eigendommen van appellante zijn aangetroffen, terwijl appellante stelt al twee jaar op het brp-adres te wonen. De getuigenverklaringen zien voorts onvoldoende concreet op de periode in geding.
3.5.
Wat is overwogen in 3.1 tot en met 3.4 betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige aanvulling van de gronden waarop deze rust.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016.
(getekend) J. Brand
(getekend) R.G. van den Berg

MO