ECLI:NL:CRVB:2016:188

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2016
Publicatiedatum
19 januari 2016
Zaaknummer
14/3833 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWBArt. 18 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ontheffing arbeids- en re-integratieverplichtingen voor vijf jaar

Appellant ontvangt sinds september 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en kampt met fysieke en psychische beperkingen. Het dagelijks bestuur verleende eerder ontheffing van arbeids- en re-integratieverplichtingen voor beperkte periodes, gebaseerd op medische adviezen.

Bij besluit van 24 oktober 2013 werd appellant ontheffing verleend van de verplichting zich in te schrijven bij UWV, maar een verzoek tot verlenging of wijzigering van de ontheffing werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het medisch advies geen volledige arbeidsongeschiktheid aantoonde en de ontheffingstermijn van twee jaar redelijk was.

In hoger beroep voerde appellant aan dat op basis van medische informatie en het ontbreken van reële arbeidsmogelijkheden een definitieve of minimaal vijfjarige ontheffing had moeten worden verleend, mede vanwege het belang van gezinshereniging.

De Raad oordeelt dat bijstandsverlening gericht is op het stimuleren van arbeidsinschakeling en dat ontheffing zonder tijdsbepaling of voor vijf jaar in strijd is met de doelstellingen van de WWB. Het medisch advies ondersteunt geen volledige ontheffing en het belang bij gezinshereniging verandert dit niet. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering om appellant definitief of voor minimaal vijf jaar ontheffing te verlenen van arbeids- en re-integratieverplichtingen.

Uitspraak

14/3833 WWB
Datum uitspraak: 19 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
16 mei 2014, 13/6321 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Engwegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Engwegen. Het dagelijks bestuur is, met kennisgeving, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt vanaf 29 september 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft last van zijn ogen en van hoofdpijn en ondervindt daarnaast beperkingen als gevolg van psychische klachten.
1.2.
Op grond van een rapport van de Arbo Unie van 15 september 2011 heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 10 november 2011 appellant tot 10 augustus 2012 ontheffing verleend van onder meer de uit artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voortvloeiende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.
1.3.
Bij besluit van 7 februari 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt appellant op medische gronden ontheffing verleend van de inburgeringsplicht. Dit is voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om appellant bij besluit van 26 april 2013 vrij te stellen van alle re-integratieverplichtingen voor de periode van 10 augustus 2012 tot 10 augustus 2014, behoudens de verplichting zich bij UWV Werkbedrijf (UWV) in te schrijven dan wel de inschrijving te verlengen.
1.4.
Nadat de Arbo Unie op 15 oktober 2013 opnieuw een medisch advies had uitgebracht, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 24 oktober 2013 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2013 gegrond verklaard, in die zin dat appellant ook ontheffing is verleend van de verplichting om ingeschreven te staan bij UWV. Voor zover appellant met zijn bezwaar heeft beoogd de duur van de ontheffing te verlengen of anderszins te wijzigen, heeft het dagelijks bestuur het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang en kort samengevat, het volgende overwogen. Uit het medisch advies van 15 oktober 2013 volgt niet dat appellant in het geheel geen arbeidsmogelijkheden heeft, zodat niet gezegd kan worden dat een ontheffingsduur van twee jaar, wat bestendige bestuurspraktijk van het dagelijks bestuur is, in dit geval niet redelijk is. Dat appellant voor een langere periode ontheffing is verleend van de verplichting het inburgeringsexamen af te leggen maakt dit niet anders, nu dat een andere beoordeling betreft.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, kort samengevat, aangevoerd dat het dagelijks bestuur op grond van alle relevante medische informatie en van het ontbreken van realistische arbeids- en re-integratiemogelijkheden aanleiding had moeten zien om een definitieve ontheffing te verlenen. Dit sluit aan bij de ontheffing van de inburgeringsplicht. Indien een ontheffing niet definitief kan zijn, dan dient de periode van de ontheffing minimaal vijf jaar te zijn, mede in verband met het belang van appellant bij gezinshereniging en de mogelijkheid van vrijstelling van het in dat kader gestelde middelenvereiste.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Uitsluitend is in geschil of het dagelijks bestuur appellant definitief dan wel voor de duur van minimaal vijf jaar ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen had moeten verlenen.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 10 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1989) is bijstandsverlening erop gericht degenen die daartoe in staat zijn te stimuleren om betaald werk te vinden en dat voor degenen die dat nog niet kunnen wordt gezocht naar mogelijkheden om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Mede gelet op de in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde opdracht aan het college tot afstemming van aan de bijstand verbonden verplichtingen, zal bij heronderzoeken dan ook periodiek moeten worden bezien of, en zo ja in hoeverre, aanleiding bestaat om tot arbeidsinschakeling strekkende verplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden of om voor een bepaalde periode verleende ontheffing van deze verplichtingen voort te zetten, in te trekken of te wijzigen. Een besluit om deze verplichtingen voorgoed niet aan een belanghebbende op te leggen of om zonder tijdsbepaling ontheffing te verlenen van verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling, zou daarmee in strijd zijn. Daarin ligt besloten dat een ontheffing voor de tijdsduur van vijf jaar evenzeer haaks zou staan op de uitgangspunten en de doelstellingen van de WWB.
4.3.
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat uit het advies van 15 oktober 2013 niet volgt dat appellant in het geheel geen arbeidsmogelijkheden meer heeft. De ontheffingstermijn van twee jaar is daarom niet onredelijk. Het belang van appellant bij gezinshereniging kan daar niet aan afdoen. De omstandigheid dat appellant definitief ontheffing is verleend van de verplichting het inburgeringsexamen af te leggen maakt dit evenmin anders, aangezien hieraan een andere beoordeling ten grondslag ligt dan bij de vraag of al dan niet ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen moet worden verleend.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2016.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) B. Fotchind

HD