ECLI:NL:CRVB:2016:1889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op ziekengeld na beoordeling geschiktheid functies
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek op 21 juni 2010. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 18 juni 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar recht op uitkering op grond van de Wet WIA. Na een nieuwe ziekmelding in maart 2013 en medische beoordeling door een verzekeringsarts, besloot het UWV per 15 mei 2013 het recht op ziekengeld te beëindigen omdat appellante geschikt werd geacht voor twee functies.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en beval een nieuwe beslissing. Het UWV handhaafde het besluit na een aanvullend medisch rapport waarin meer beperkingen werden aangenomen, maar appellante nog steeds geschikt werd geacht voor de functies van algemeen productiemedewerker en medewerker assemblage.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij meer beperkt is en de functies niet kan vervullen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die een dossierstudie en hoorzitting had verricht.
Omdat appellante geen nieuwe medische gegevens overlegde die haar beperkingen verder onderbouwen, concludeerde de Raad dat het UWV terecht het recht op ziekengeld heeft beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellante is terecht per 15 mei 2013 beëindigd omdat zij geschikt is voor twee functies.