ECLI:NL:CRVB:2016:1901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen werkzaamheden in snackbar
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant werkte van mei tot november 2013 in een participatieplaats bij een snackbar. Onderzoek van de gemeente Amsterdam wees uit dat appellant al ongeveer vier jaar voor het onderzoek op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte bij de snackbar, zonder dit te melden.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de verklaring van appellant alleen betrekking had op de participatieplaatsperiode en dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden.
De Raad oordeelde dat de verklaring van appellant van mei 2014 duidelijk aangaf dat hij al vier jaar werkzaamheden verrichtte. Nadere toetsing was niet nodig. Verklaringen van de voormalige eigenaar die dit tegenspraken, werden niet als betrouwbaar beoordeeld. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit van intrekking van de bijstand wegens verzwegen werkzaamheden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens verzwegen werkzaamheden.