ECLI:NL:CRVB:2016:1904
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster diende een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande, maar het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze af omdat zij volgens onderzoek een gezamenlijke huishouding voert met de hoofdbewoner van het adres waar zij woont. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Verzoekster stelde in hoger beroep dat geen sprake was van gezamenlijke huishouding en verzocht om een voorlopige voorziening vanwege haar financiële nood.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoekster geen inkomen heeft en het financiële belang spoedeisend is. De kernvraag is of sprake is van een gezamenlijke huishouding, waarbij zowel gezamenlijk hoofdverblijf als wederzijdse zorg vereist zijn. Hoewel verzoekster stelde dat de gezamenlijke activiteiten beperkt waren en de verklaring onduidelijkheden bevatte, was de verklaring ondertekend en getoetst.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de diverse zorgelementen, zoals het gebruik van vrijwel de gehele woning, het schoonmaken van het huis, verzorgen van vogels en het ontvangen van giften, wijzen op wederzijdse zorg die verder gaat dan een zakelijke relatie. Verzoekster maakte niet aannemelijk dat sprake was van een kostgangersrelatie of zelfstandige huishoudens. Daarom achtte de voorzieningenrechter de kans groot dat de afwijzing in de bodemprocedure standhoudt en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van bijstand wegens gezamenlijke huishouding is afgewezen.