ECLI:NL:CRVB:2016:191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde transacties met voertuigen
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van juni 2004 tot juli 2011. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag stelde de Dienst Werk en Inkomen van Amsterdam een onderzoek in, waaruit bleek dat appellanten tussen februari 2010 en april 2011 diverse voertuigen op hun naam hadden, die zij niet hadden gemeld.
Het college van burgemeester en wethouders besloot daarom de bijstand over bepaalde perioden in 2010 en 2011 in te trekken en de kosten van de bijstand terug te vorderen, omdat niet kon worden vastgesteld of appellanten recht op bijstand hadden vanwege niet gemelde transacties. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen dit besluit ongegrond.
Appellanten voerden aan dat zij niet wisten welke bewijzen nodig waren om aan te tonen dat zij geen economisch voordeel hadden genoten. De Raad oordeelde dat de bewijslast bij appellanten ligt om aannemelijk te maken dat zij recht op bijstand hadden. Het college is niet verplicht om een gespecificeerde bewijsopdracht te geven.
Appellanten hebben geen concrete bewijzen aangeleverd, zoals bankafschriften van een vriend aan wie de voertuigen zouden toebehoren. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de intrekking en terugvordering bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.