ECLI:NL:CRVB:2016:1917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor passende functies
Appellant was werkzaam als assistent operator en viel uit op 9 februari 2010 wegens psychische klachten. Het UWV stelde op 7 november 2012 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WIA-uitkering per 25 december 2012. Appellant ontving sindsdien een WW-uitkering. Op 21 februari 2014 meldde appellant zich ziek vanwege toegenomen psychische klachten. Na medisch onderzoek op 16 juli 2014 oordeelde een verzekeringsarts dat appellant geschikt was voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld per 21 juli 2014.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische beperkingen, onderbouwd met medische informatie van huisarts en psychiater. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen niet wezenlijk waren veranderd sinds de eerdere beoordeling in 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat appellant geschikt is voor werk zonder deadlines en productiepieken, met regelmatige taken en zonder risico’s, en dat deze functies passend zijn bij zijn depressieve klachten.
De aanvullende medische informatie gaf geen aanleiding het standpunt van de verzekeringsarts te wijzigen. De Raad concludeerde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld per 21 juli 2014 en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 21 juli 2014 wordt bevestigd.