ECLI:NL:CRVB:2016:1919
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid medisch onderzoek en belastbaarheid in Ziektewetzaak
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, kreeg na het einde van haar dienstverband een WW-uitkering, gevolgd door een WAZO-uitkering. Na afloop van de WAZO-uitkering meldde zij zich ziek met klachten aan armen, schouders en onderrug. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat zij per 15 juli 2013 geschikt was voor haar arbeid en beëindigde het ziekengeld. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar fysieke en psychische belastbaarheid en dat haar beperkingen niet zorgvuldig waren getoetst. Zij verzocht om het raadplegen van een deskundige. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde dat er geen aanwijzingen waren voor een depressieve stoornis of functionele beperkingen door psychische klachten rond de datum in geding.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief lichamelijk en psychisch onderzoek door verzekeringsartsen en dossierstudie. De medische informatie toonde geen zodanige beperkingen dat appellante ongeschikt was voor haar arbeid. De Raad zag geen reden een deskundige te raadplegen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellante geschikt is voor haar arbeid wordt bevestigd.