ECLI:NL:CRVB:2016:193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting verblijf buitenland
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande. Tijdens een huisbezoek verklaarde zij vier weken in het buitenland te zijn geweest vanwege het overlijden van haar broer, maar kon zij de exacte data niet noemen. Het college verzocht haar om reispapieren te overleggen ter bevestiging van de verblijfsperiode, maar appellante kon deze vanwege oogproblemen niet verstrekken.
Het college schortte de bijstand op en trok deze over de periode van 1 juni tot en met 31 juli 2013 in, met terugvordering van €1.759,26, omdat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden. Bij bezwaar werd dit besluit gedeeltelijk herzien, waarbij de intrekking werd beperkt tot 29 juni tot 1 augustus 2013 en het terug te vorderen bedrag werd verlaagd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat er geen aanwijzingen waren dat zij langer dan vier weken in het buitenland verbleef. De Raad oordeelde dat appellante haar verplichting tot tijdige en volledige informatieverstrekking had geschonden en dat zonder deze informatie het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld, waardoor de intrekking en terugvordering terecht waren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting door appellante.