ECLI:NL:CRVB:2016:1931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WW-dagloon na overstap werk zonder tussenliggende werkloosheid
Appellant was sinds 1 januari 2012 werkzaam bij werkgever 1 en deze dienstbetrekking eindigde op 1 juli 2014. Daarna werkte appellant kortdurend bij werkgever 2 en werkgever 3. Het UWV stelde het WW-dagloon vast op € 73,22, gebaseerd op het loon bij werkgever 3, waaruit de werkloosheid voortvloeide. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het dagloon hoger moest zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV het dagloon correct had vastgesteld. Appellant ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat voor werknemers die na 30 mei 2013 zonder tussenliggende WW-uitkering van werkgever wisselen, artikel 12 van Pro het Dagloonbesluit niet van toepassing is.
De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 12, omdat hij na beëindiging van de dienstbetrekking bij werkgever 1 geen recht had op WW-uitkering. Daarom was het juist dat het UWV het dagloon baseerde op het loon bij werkgever 3. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het WW-dagloon is terecht vastgesteld op basis van het loon bij werkgever 3.