ECLI:NL:CRVB:2016:1936
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengeld op grond van onvoldoende medische beperkingen niet onjuist verklaard
Appellante, voormalig pedagogisch medewerkster, meldde zich ziek met diverse klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat zij geschikt was voor haar laatst verrichte arbeid en beëindigde haar ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat zij niet kon werken.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de verzekeringsarts onvoldoende informatie had ingewonnen en dat haar medische aandoeningen haar werk onmogelijk maakten. Het UWV betwistte dit en vroeg bevestiging van de eerdere uitspraak.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de klachten weliswaar aanwezig zijn maar zonder objectieve medische afwijkingen die beperkingen rechtvaardigen. De ingebrachte medische stukken en persoonlijke verklaring boden geen aanleiding tot herziening. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd vanwege onvoldoende medische grondslag voor ongeschiktheid tot arbeid.