ECLI:NL:CRVB:2016:1969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening en verlenging bijstand zelfstandige
Verzoekster, een zelfstandige ondernemer, had bijstand ontvangen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) vanwege haar bedrijf en persoonlijke levensonderhoud. Na eerdere toekenningen en een schuldregeling via de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), vroeg zij verlenging van de bijstand en uitbreiding van bedrijfskapitaal. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvragen af omdat het bedrijf niet levensvatbaar werd geacht en verzoekster niet als gevestigde zelfstandige kwalificeerde.
Verzoekster stelde hoger beroep in tegen deze afwijzing en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen sprake was van onverwijlde spoed, aangezien verzoekster al bijstand ontving op grond van de Participatiewet en uitstel van betaling had verkregen voor haar schulden. Daarnaast ontbraken concrete en verifieerbare gegevens die zouden aantonen dat het niet treffen van een voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen zou hebben voor haar onderneming.
De voorzieningenrechter verwees naar vaste rechtspraak dat een voorlopige voorziening niet bedoeld is om de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen zonder spoedeisend belang. Gezien het ontbreken van een actueel spoedeisend belang werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot verlenging van de bijstand wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.