Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1974

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2016
Publicatiedatum
31 mei 2016
Zaaknummer
14/829 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 ANWArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot. Na het bereiken van de meerderjarigheid van haar jongste zoon werd de uitkering ingetrokken, maar later voortgezet vanwege haar volledige arbeidsongeschiktheid door een nekhernia. De Sociale verzekeringsbank (Svb) liet het UWV onderzoeken of zij nog arbeidsongeschikt was. Het UWV concludeerde dat appellante niet arbeidsongeschikt was en dat zij de geselecteerde functies kon vervullen.

De Svb trok daarop de uitkering in per 1 december 2012. Appellante maakte bezwaar, dat gedeeltelijk werd gehonoreerd met een intrekking per 1 maart 2013. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 6 december 2012 niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het bestreden besluit af, omdat de medische beoordeling voldoende was onderbouwd.

In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen werden onderschat en zij niet voltijds kon werken. De Raad oordeelde dat de medische beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist waren vastgesteld en dat er geen objectieve medische gegevens waren die dit in twijfel trokken. De Raad bevestigde dat appellante medisch in staat was de geduide functies te vervullen en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de ANW-uitkering bevestigd.

Uitspraak

14/829 ANW
Datum uitspraak: 27 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
14 januari 2014, 13/2090 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2016. Appellante is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Loos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Op 13 december 2001 is de echtgenoot van appellante overleden. Hierop heeft appellante (geboren in 1961) een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) ontvangen tot januari 2011, het moment dat haar jongste zoon 18 jaar werd. Na een aanvankelijke intrekking van de ANW-uitkering, is deze uitkering voortgezet omdat er sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid in verband met een operatie-indicatie wegens een bij appellante geconstateerde nekhernia.
1.2.
In het kader van een herbeoordeling van appellantes aanspraken op een ANW-uitkering heeft de Svb op 13 oktober 2012 aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht te onderzoeken of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Het Uwv heeft op 21 november 2012 advies uitgebracht aan de Svb. Het advies, gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek, houdt in dat appellante niet arbeidsongeschikt is. Appellante heeft weliswaar fysieke beperkingen, maar wordt hiermee in staat geacht de voor haar geselecteerde functies te vervullen. Op grond hiervan heeft de Svb bij besluit van
6 december 2012 appellante ervan in kennis gesteld dat zij vanaf 1 december 2012 geen recht heeft op een nabestaandenuitkering wegens arbeidsongeschiktheid omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht.
1.3.
Een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft zich na hernieuwd medisch onderzoek kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts bij appellante vastgestelde beperkingen. Vervolgens heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 2 juli 2013 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 december 2012 ongegrond verklaard. Bij besluit van
14 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard in zoverre dat de nabestaandenuitkering eerst met ingang van 1 maart 2013 wordt ingetrokken.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante, voor zover gericht tegen het besluit van
6 december 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de Svb dat bij appellante op de datum in geding geen sprake was van arbeidsongeschiktheid van meer dan 45%. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit is gebaseerd op een toereikende medische grondslag. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de geschiktheid van de geduide functies voldoende gemotiveerd is.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij acht zich niet in staat om voltijds arbeid te verrichten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De aangevallen uitspraak ligt ter beoordeling voor, uitsluitend voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. In dit verband wordt geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat wat betreft de medische grondslag er geen grond is voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts van het Uwv in acht genomen medische beperkingen van appellante, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 november 2012. De verzekeringsarts heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen door er onder meer op te wijzen dat appellante haar werkzaamheden als taxichauffeur voor ongeveer 15 uur per week afwisselt met het verrichten van huishoudelijke taken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit standpunt onderschreven en heeft daaraan toegevoegd dat appellante niet voldoet aan één van de drie indicaties (energetisch, beschikbaarheid en preventief) voor het aannemen van een urenbeperking. De rapporten van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, bevatten geen inconsistenties en zijn concludent als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 15 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW9297). Appellante heeft in beroep en in hoger beroep geen objectieve medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de bij voornoemde FML per datum in geding vastgestelde functionele mogelijkheden. Wel heeft appellante op 1 april 2016 nadere medische stukken ingebracht, welke zijn voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. In zijn rapport van 13 april 2016 heeft deze arts vermeld dat de in de medische stukken beschreven medische situatie niet ziet op de datum in geding, te weten
1 maart 2013. Dit standpunt kan worden onderschreven.
4.2.
Uitgaand van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid moet zij in medisch opzicht in staat worden geacht tot het vervullen van de geduide functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de medische geschiktheid van die functies afdoende gemotiveerd.
4.3.
Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2016.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) D. van Wijk

MO