ECLI:NL:CRVB:2016:1974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot. Na het bereiken van de meerderjarigheid van haar jongste zoon werd de uitkering ingetrokken, maar later voortgezet vanwege haar volledige arbeidsongeschiktheid door een nekhernia. De Sociale verzekeringsbank (Svb) liet het UWV onderzoeken of zij nog arbeidsongeschikt was. Het UWV concludeerde dat appellante niet arbeidsongeschikt was en dat zij de geselecteerde functies kon vervullen.
De Svb trok daarop de uitkering in per 1 december 2012. Appellante maakte bezwaar, dat gedeeltelijk werd gehonoreerd met een intrekking per 1 maart 2013. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 6 december 2012 niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het bestreden besluit af, omdat de medische beoordeling voldoende was onderbouwd.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen werden onderschat en zij niet voltijds kon werken. De Raad oordeelde dat de medische beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist waren vastgesteld en dat er geen objectieve medische gegevens waren die dit in twijfel trokken. De Raad bevestigde dat appellante medisch in staat was de geduide functies te vervullen en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de ANW-uitkering bevestigd.