ECLI:NL:CRVB:2016:1977
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toekenning nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht en verschoonbaarheid onbekendheid
Appellant vroeg op 22 oktober 2013 een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) vanwege het overlijden van zijn echtgenote in 2007. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende de uitkering toe met terugwerkende kracht vanaf oktober 2012. Appellant stelde dat hij pas in 2010 bekend was met zijn recht en dat hij door ziekte in 2007 niet in staat was eerder een aanvraag te doen.
De Svb verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank Limburg bevestigde dit oordeel, waarbij zij de medische verklaringen van appellant onvoldoende achtte om van een bijzonder geval te spreken. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door zijn aandoening en medicatie niet eerder dan oktober 2013 kon aanvragen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant vanaf 2010 bekend was met het recht en dat zijn onbekendheid daarvoor niet verschoonbaar was. Tevens was appellant in staat om tijdig een aanvraag te doen, gelet op zijn contacten met de Svb en zijn inkomsten uit de voortgezette onderneming. De medische verklaringen konden dit niet weerleggen. Er was geen bijzonder geval in de zin van artikel 33, vierde lid, van de ANW, zodat de Svb niet bevoegd was om de uitkering verder terug te laten lopen dan één jaar voor de aanvraag.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht tot maximaal één jaar bevestigd.