ECLI:NL:CRVB:2016:1991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voortzetting nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om voortzetting van haar nabestaandenuitkering op grond van arbeidsongeschiktheid nadat haar jongste kind 18 jaar werd, waarop de Sociale verzekeringsbank (Svb) de uitkering beëindigde. Het UWV voerde een medisch en arbeidskundig onderzoek uit, waaruit bleek dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt was. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV hielden rekening met zowel lichamelijke als psychische klachten, waaronder PTSS en depressieve stoornis, en stelden beperkingen vast die echter niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leidden.
Appellante bracht in hoger beroep aanvullende medische stukken in, waaronder brieven van i-psy Rotterdam, maar deze toonden geen zwaardere beperkingen op de datum in geschil. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestreden besluit op medische gronden juist was en dat de arbeidskundige onderbouwing, hoewel pas in hoger beroep volledig gegeven, overtuigend was. De Raad constateerde een schending van artikel 7:12 Awb Pro vanwege de late onderbouwing, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe omdat appellante hierdoor niet werd benadeeld.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd genomen door rechter E.E.V. Lenos op 27 mei 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van voortzetting van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.