Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:2027

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 mei 2016
Publicatiedatum
2 juni 2016
Zaaknummer
13/4042 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-melding op geld waardeerbare werkzaamheden als snorder

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf september 2010. Naar aanleiding van een melding van de politie dat appellant als snorder (illegale taxichauffeur) actief was, voerde de Sociale Recherche een onderzoek uit. Dit leidde tot een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden om de bijstand over de periode februari 2011 tot januari 2012 in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn werkzaamheden hobbymatig waren of vriendendiensten betrof, en dat hij geen inlichtingenplicht had geschonden. De Raad oordeelde echter dat de werkzaamheden van appellant, gezien de aard, omvang, duur en het terugkerend karakter, op geld waardeerbare activiteiten waren. Dit werd ondersteund door politiegegevens, getuigenverklaringen en een waarschuwing van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

De Raad concludeerde dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat deze activiteiten van invloed waren op zijn recht op bijstand en dat hij zijn inlichtingenplicht had geschonden door deze niet te melden. Hierdoor kon het college de bijstand terecht intrekken en terugvorderen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd wegens het niet melden van op geld waardeerbare werkzaamheden als snorder.

Uitspraak

13/4042 WWB
Datum uitspraak: 24 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
20 juni 2013, 13/83 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.L. Thiescheffer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Namens appellant is
mr. Thiescheffer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.J. Krol.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt vanaf 6 september 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een melding op 23 november 2011 van de politie ‘Fryslân’ dat appellant regelmatig tijdens de nachtelijke uren werkzaamheden verricht als taxichauffeur zonder geldige vergunning, ook wel snorder genoemd, heeft de Sociale Recherche Fryslân (Sociale Recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dit verband heeft de Sociale Recherche dossieronderzoek gedaan, zijn gegevens bij de politie en de Dienst Wegverkeer (RDW) opgevraagd, is appellant verhoord en zijn drie getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 3 mei 2012.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
22 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 november 2012 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de periode van 1 februari 2011 tot en met 31 januari 2012 te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal
€ 10.476,82 van appellant terug te vorderen. De besluitvorming berust op de grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn op geld waardeerbare werkzaamheden als snorder, waardoor het college het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat niet gesproken kan worden van op geld waardeerbare werkzaamheden. De door appellant verrichte handelingen kunnen gekenschetst worden als het uitoefenen van hobbymatige werkzaamheden, althans het verrichten van vriendendiensten. Appellant erkent dat hij in de te beoordelen periode op diverse momenten personen heeft vervoerd, echter dit gebeurde niet structureel. Pas nadat hij door vrienden werd benaderd met het verzoek om hen te vervoeren, heeft appellant ingestemd met een dergelijk verzoek.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
4.2.
Niet in geschil is dat appellant in de periode hier in geding regelmatig personen heeft vervoerd. Anders dan appellant heeft aangevoerd, kunnen deze handelingen niet gekenschetst worden als het uitoefenen van hobbymatige werkzaamheden, althans het verrichten van vriendendiensten. Gelet op de aard, de omvang, de duur en het terugkerend karakter van de door appellant verrichte werkzaamheden, is sprake van op geld waardeerbare activiteiten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de mutaties van de politie en de getuigenverklaringen voldoende grondslag bieden voor deze conclusie. Mede van belang is dat de Inspectie Verkeer en Waterstaat bij brief van 16 november 2011 aan appellant heeft meegedeeld dat hij zich vermoedelijk bezig houdt met illegaal taxivervoer, waarbij hij is gewaarschuwd om geen taxivervoer te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning. Gelet op het vorenstaande gaat het dus niet louter om een vriendendienst of hobby, maar om werkzaamheden waarvoor appellant een vergoeding heeft gekregen, dan wel had kunnen bedingen. Of appellant feitelijk ook een vergoeding heeft gekregen, wat hij heeft ontkend, doet aan het karakter van de werkzaamheden niet af.
4.3.
Het moet appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze op geld waardeerbare activiteiten van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Door van deze activiteiten geen melding te doen aan het college, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.
4.4.
Nu als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting en bij gebreke van een deugdelijke administratie niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate appellant ten tijde in geding verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden, was het college bevoegd de bijstand in te trekken. De bevoegdheid tot intrekking en terugvordering, dan wel de gebruikmaking van deze bevoegdheden, zijn niet afzonderlijk bestreden.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.L. Boxum en
H.O. Kerkmeester als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2016.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD