Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:2029

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2016
Publicatiedatum
2 juni 2016
Zaaknummer
14/6203 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Wet WIAArt. 76 Wet WIAArt. 77 Wet WIABeleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering onverschuldigde WIA-uitkering wegens schending inlichtingenplicht

Appellant ontving vanaf 17 februari 2010 een WIA-uitkering die het UWV later introk en terugvorderde wegens onjuiste informatieverstrekking en schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant redelijkerwijs rekening had moeten houden met herziening van de uitkering.

Appellant betwistte de intrekking en stelde arbeidsongeschikt te zijn vanaf de datum van toekenning, ondersteund door medische rapporten. Hij verzocht ook om benoeming van een onafhankelijke deskundige. Het UWV handhaafde haar standpunt op basis van verzekeringsartsrapporten.

De Raad concludeerde dat appellant de verzekeringsarts onjuist had geïnformeerd en dat op basis van medische gegevens vaststond dat appellant op de ingangsdatum van de uitkering in staat was tot arbeid. Het door appellant ingebrachte rapport gaf onvoldoende aanleiding tot herziening. Er waren geen dringende redenen om af te zien van terugvordering.

Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het besluit van het UWV tot intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering met terugwerkende kracht. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige of het toekennen van proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht zonder dringende redenen voor afzien van terugvordering.

Uitspraak

14/6203 WIA, 14/6204 WIA
Datum uitspraak: 1 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
16 oktober 2014, 13/710 en 13/1237 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn dochter. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 11 januari 2010 is aan appellant met ingang van 17 februari 2010 een WGA-uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend.
1.2.
Bij besluit van 17 juli 2012 heeft het Uwv het besluit van 11 januari 2010 ingetrokken.
1.3.
Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het Uwv de aan appellant sinds 17 februari 2010 ten onrechte betaalde WIA-uitkering tot een bedrag groot € 60.047,92 van hem teruggevorderd.
1.4.
Bij de beslissingen op bezwaar van 4 december 2012 (bestreden besluiten) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 17 juli 2012 en 31 juli 2012 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen, namelijk dat bij appellant per 17 februari 2010 geen sprake is van ziekte. Voorts heeft het Uwv zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat het Uwv, ingevolge het bepaalde in artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA gehouden was de
WGA-uitkering met terugwerkende kracht in te trekken. Van dringende redenen op grond waarvan afgezien moet worden van de intrekking van die uitkering is niet gebleken. Appellant had gelet op zijn eigen rol in het geheel redelijkerwijs kunnen weten dat hij ernstig rekening diende te houden met herziening of intrekking van zijn uitkering. Op grond van artikel 77, eerste en vierde lid, van de Wet WIA was verweerder voorts gehouden tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering. Appellant heeft de hoogte van het aan hem vanaf
17 januari (lees: februari) 2010 betaalde bedrag aan uitkering niet betwist. Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien zijn gesteld noch gebleken.
3.1.
Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. Hij stelt dat hij met ingang van 17 februari 2010 arbeidsongeschikt was en dat sindsdien ook is gebleven. De rechtbank heeft onvoldoende onderkend dat de bevindingen als neergelegd in het op verzoek van appellant door W.C. Bohlmeijer, psychiater, op 17 maart 2014 uitgebrachte rapport aansluiten bij de bevindingen van F. Kaya, de (destijds) behandelend psychiater én bij de bevindingen van de huidige behandelaars van appellant van GGNet. De rechtbank hecht ten onrechte grote waarde aan de onderzoeksresultaten van de door het Uwv ingeschakelde psychiater H. Kondakçi. Ten onrechte heeft de rechtbank afgezien van het benoemen van een deskundige. Appellant verzoekt de Raad om een deskundige te benoemen. Tevens stelt appellant dat van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is geweest. Appellant betwist dat het Uwv gehouden was de WGA-uitkering met terugwerkende kracht in te trekken. Mede gelet op zijn gezondheidssituatie heeft appellant in het geheel niet kunnen voorzien, laat staan dat hij er rekening mee diende te houden dat zijn uitkering zou worden herzien of zou worden ingetrokken. Door de intrekking van de WGA-uitkering van appellant met terugwerkende kracht is appellant in ernstige financiële problemen geraakt. Voorts is de gezondheidssituatie van appellant door wat hem is overkomen verder verslechterd. Zo de WGA-uitkering van appellant op juiste gronden zou zijn ingetrokken, wat appellant ten zeerste betwist, dan waren er naar de mening van appellant voor het Uwv wel degelijk dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Ter nadere motivering van zijn beroep heeft appellant een rapport van 2 februari 2016 van
dr. H.L.S.M. Busard, psychiater, in geding gebracht.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 maart 2015 en van 26 februari 2016, de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA verstrekt een verzekerde, die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.
4.2.
In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv beschikkingen op grond van deze wet herziet of intrekt, indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld. Op grond van het derde lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.
4.3.Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011 en ECLI:NL:CRVB:2015:2844) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.
4.4.
Artikel 3 van Pro de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230), bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.
4.5.
Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook – in geval van betwisting – die feiten aannemelijk te maken (zie ook: ECLI:NL:CRVB:2015:1295 en ECLI:NL:CRVB:2015:2844).
4.6.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt en heeft terecht de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat op grond van het geheel van de omtrent appellant voorliggende medische gegevens, waarvan in het bijzonder het op 24 april 2012 door psychiater Kondakçi opgestelde expertise-rapport, in genoegzame mate buiten twijfel is gesteld dat appellant op 17 februari 2010 in staat was loonvormende arbeid te verrichten. Appellant wordt terecht verweten dat hij de verzekeringsarts met zijn houding, gedrag en presentatie onjuist heeft geïnformeerd over zijn gezondheidssituatie. Hij heeft het Uwv er niet van op de hoogte gesteld dat de tijdens het spreekuurcontact van 15 december 2009 aangekondigde opname per februari 2010 geen doorgang heeft gevonden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat door de onderzoeken van de verzekeringsartsen, ondersteund door het rapport van de psychiater Kondaçki, is komen vast te staan dat op psychisch vlak geen sprake is van beperkingen en dat er sprake is van schending van de in artikel 27 van Pro de Wet WIA neergelegde informatieplicht.
4.7.
Het door appellant in hoger beroep ingediende rapport van psychiater Busard heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid, reeds omdat uit dit rapport onvoldoende naar voren komt dat deze onderzoeker zich heeft gericht op de situatie van appellant op of rond de datum in geding zoals ook door verzekeringsarts bezwaar en beroep P.R.S. Baidjoe is gesteld in het rapport van 26 februari 2016. Voor het raadplegen van een onafhankelijk deskundige bestaat dus geen aanleiding. De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank dat de verstrekking van de uitkering aan appellant in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met het verzuim om het Uwv in te lichten over het geen doorgang vinden van de opname en dat daarom moet worden gezegd dat, nu geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, daardoor ten onrechte uitkering aan hem is verstrekt. De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat het Uwv gehouden was de uitkering van appellant met terugwerkende kracht per 17 februari 2010 in te trekken.
4.8.
Betreffende het terugvorderingsbesluit heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd. De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat het Uwv onverschuldigd betaalde WIA-uitkeringen moet terugvorderen tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, is niet gebleken.
4.9.
Uit 4.1. tot en met 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en P. Vrolijk en
Ch. van Voorst als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) N. Veenstra

MO