ECLI:NL:CRVB:2016:2035
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen terugvordering Wuv-uitkering na overlijden partner
Appellante, een uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), maakte bezwaar tegen de terugvordering van een bedrag van €4.021,81 dat volgens verweerder te veel was uitbetaald na de hernieuwde vaststelling van haar uitkering wegens het overlijden van haar partner.
De Raad overwoog dat de hernieuwde vaststelling van de uitkering conform artikel 59 Wuv Pro plaatsvond nadat verweerder de exacte financiële gegevens ontving op 27 december 2013. De termijn van dertien weken waarbinnen de beschikking moest worden genomen, was daarmee niet overschreden, aangezien de beschikking op 13 februari 2014 werd genomen.
Verder werd geoordeeld dat de inhouding van €200,- op een nabetaling van huishoudelijke hulp rechtmatig was, omdat deze was overeengekomen na telefonische instemming van appellante zonder aanwijzingen van dwang.
Gelet op deze overwegingen kon het bestreden besluit in stand blijven en werd het beroep ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de Wuv-uitkering wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.