ECLI:NL:CRVB:2016:2057
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende duidelijkheid over inkomens- en vermogenssituatie
Appellanten, gehuwd en samen exploitanten van een vennootschap onder firma, verkochten de activa van hun bedrijf en vroegen vervolgens bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af wegens onvoldoende informatie over de besteding van de koopsom en de financiële situatie.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, omdat ook bij de rechtbank onvoldoende duidelijkheid bestond over de bestemming van het bedrag van €44.211,92. Appellanten stelden in hoger beroep dat zij wel alle benodigde gegevens hadden verstrekt en dat hun recht op bijstand daarmee vastgesteld kon worden.
De Raad oordeelde echter dat appellanten onvoldoende bewijs leverden over de besteding van de contante middelen die zij kort voor de aanvraag ontvingen. De onduidelijkheid over de financiële situatie, mede gezien de faillietverklaring van het bedrijf, leidde tot de conclusie dat zij niet aannemelijk maakten bijstandbehoevend te zijn in de relevante periode.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de inkomens- en vermogenssituatie.