ECLI:NL:CRVB:2016:2074
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toewijzing geambieerde functie aan herplaatsingskandidaat
Appellant, werkzaam als eerste medewerker, werd herplaatsingskandidaat na een reorganisatie en solliciteerde op 26 juni 2013 naar een nieuwe functie. De minister weigerde de functie toe te wijzen op basis van het advies van een selectiecommissie die oordeelde dat appellant niet voldeed aan de functie-eisen, waaronder HBO werk- en denkniveau.
Na bezwaar handhaafde de minister dit besluit, waarbij hij niet langer het HBO-niveau betwistte maar stelde dat appellant niet geschikt was of niet de meest geschikte kandidaat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad oordeelt dat de minister een discretionaire bevoegdheid heeft bij functietoewijzing en dat de toetsing terughoudend is. Appellant maakte niet aannemelijk dat de selectiecommissie niet objectief was. De commissie gaf op basis van een sollicitatiegesprek een lage totaalscore, waarbij appellant onvoldoende scoorde op motivatie, overtuigingskracht, competenties en zelfkennis. De Raad acht deze beoordeling redelijk en wijst verklaringen van collega’s die appellant wel geschikt achten onvoldoende gewicht toe.
De Raad concludeert dat de minister op redelijke gronden de functie niet aan appellant hoefde toe te wijzen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de minister de geambieerde functie terecht niet aan appellant toewijst wegens onvoldoende geschiktheid.